maandag 10 maart 2025

Hoste en Tuymans, één affront

Tijdens het Gala van de Gouden Jefkes, Vlaanderens eerste Comedy Awards, heeft Geert Hoste, de voormalige hofnar, een lifetime achievement award gekregen. Ik was niet van het partijtje maar ik vermoed dat presentator Michael Van Peel niet terug zal zijn gekomen op nochtans een van de strafste achievements van de heer Hoste. Daarom zal ik het doen.
    In 2011 maakt Luc Tuymans van een persfoto van Jean-Marie Dedecker een schilderij. De foto is een jaar eerder gemaakt door Katrijn Van Giel. De gelijkenis tussen haar foto en het schilderij is onmiskenbaar. Begin 2015 wordt Luc Tuymans veroordeeld tot een dwangsom wegens schending van de auteursrechten van de fotografe. Geert Hoste neemt het in een opiniestuk (in De Morgen) op voor de schilder.
    Hoste begint zijn stuk met de mededeling dat hij door de verdediging van Tuymans geconsulteerd werd om zijn mening te geven over A Belgian Politician, zoals het schilderij heet, en het oeuvre van Tuymans in het algemeen.
    Als mijn advocaat Geert Hoste zou moeten consulteren, zou ik mijn advocaat ontslaan.
    Volgens Hoste heeft Tuymans met zijn doek ‘een andere werkelijkheid geschapen’. Derhalve valt het onder humor, meent hij.
    Volgens mij heeft het verschilderen van een foto evenveel te maken met humor als een staande lamp met badminton.
    Hoste gaat door: ‘Als je humor brengt, heb je wel altijd de bedoeling om humor te brengen. Die ingesteldheid is essentieel.’
    Iedere melkboer zal het bevestigen: als je melk brengt, heb je wel altijd de bedoeling om melk te brengen. Of het zou de fictieve melkman Dan moeten zijn uit de cartoons van Max Cannon. Dat hij tijdens zijn ronde liever bezopen fratsen dan melk aan huis bezorgt, maakt hem tot een brenger van humor. Zijn ingesteldheid is essentieel.
    Om aan te tonen dat Tuymans’ werk wel degelijk onder humor valt, verklaart Hoste: ‘Humor kan kritisch zijn, poëtisch, ontroerend, intelligent, esthetisch.’ Hij had er nog een dozijn adjectieven achteraan mogen gooien, A Belgian Politician zal altijd stoppen waar de humor begint. Een humorist die dat ontkent, verstaat z'n vak niet.
    ‘Omdat het woord “Fortis” uit de mond van een humorist kwam, werd het als vanzelf ironie.’
    In zijn conference van 2008 kwam Hoste de scène op en sprak zonder introductie het woord ‘Fortis’ uit. Dat was lachen geblazen; helaas meende hij de ironie te moeten rekken. Waarlijk ironisch zou het geweest zijn als hij zonder introductie dat woord had uitgesproken en verder die hele bank had genegeerd.
    ‘Als Tuymans een persfoto vertaalt naar verf en doek, is het een parodie. Juist omdat het Tuymans is die het doet. Deze kunstenaar, die zich bedient van deze beeldtaal. Een parodie is zichtbaar voor wie ze zien wil.’
    Zo krijg je als komiek dus een lifetime achievement award: door de parodie in hetzelfde rijtje te zetten als de ufo, het monster van Loch Ness en de borsten van Justine Henin.
    ‘Het is niet omdat Luc Tuymans Dedecker geen rode neus geeft dat het niet om te lachen kan zijn. Bij Luc Tuymans werkt het veel subtieler.’
    Als Tuymans Dedecker een rode neus had gegeven, was het in elk geval geen fotokopie meer geweest. Ik dacht ‘foto-kopie’ te schrijven, maar zonder koppelteken werkt het veel subtieler.
    ‘Er mag best wat intellect van de toeschouwer gevraagd worden. Of moet Tuymans signeren met een smiley?’
    Hoste beseft niet dat hij met die rode neus en die smiley z’n verdediging van Tuymans alleen maar meer ondermijnt. Dat doet hij in z’n opiniestuk ook met zichzelf, maar hij had zich toen allang opgeworpen als een vrolijke spring-in-’t-mijnenveld door overschotjes die waarachtige komieken in de vuilbak zouden gooien te verpatsen aan een roddelblad.
    ‘De vraag of een kunstenaar toestemming zou moeten vragen om een parodiërend werk te maken staat lijnrecht tegenover de artistieke vrijheid, ja zelfs de vrijheid van meningsuiting.’
    Hij sleurt ja zelfs de vrijheid van meningsuiting erbij, geen half werk. Ik had het Tuymans graag horen verklaren in de rechtbank: ‘Het zonder toestemming verschilderen van een foto is nu eenmaal mijn mening.’
    ‘Artiesten hebben impulsen nodig, noem ze muzen. En die moeten er niet altijd uitzien als Griekse godinnen.’ Het moet een harde klap voor Jean-Marie Dedecker geweest zijn: hij was geen Griekse godin.
    Arnon Grunberg, een schrijver die geprezen is om z’n ironie, vroeg ooit aan een vrouw of ze zijn muze wilde zijn. Ze zei: ‘Ja, als het niet te veel werk is.’ Een prachtig antwoord. Luc Tuymans had naar Katrijn Van Giel moeten bellen en haar, in zijn typisch parodiërende stijl, moeten vragen: ‘Katrijn, wil je mijn muze zijn als het niet te veel werk is voor mij?’
    Volgend citaat komt nog steeds uit het opiniestuk van de heer Hoste; dat men niet denkt dat ik een opstel van een twaalfjarige plagieer: ‘We worden overdonderd met beeldtaal. Of je nu wilt of niet. Dat is het verschil tussen een selfie en een persfoto. Een persfoto is gemaakt om gezien te worden. Wordt verkocht om gezien te worden. Wordt opgedrongen aan diegene die de krant openslaat. Het is niet alleen een weergave van de feiten, het is ook bedoeld als inspiratie. Voor sommige mensen is zo’n foto soms het onderwerp van een gesprek op de trein, voor kunstenaars kan het inspiratie zijn. Het gaat hier om inspiratie en die inspiratie dringt zich op.’
    Een schilder loopt tegen de lamp na het onrechtmatig gebruiken van een persfoto en de verdediging zegt: ‘Kijk, edelachtbare, die foto was inspiratie en de inspiratie drong zich op.’ Briljant. Dat had Jan Fabre moeten antwoorden toen een studente hem had betrapt op het jatten van hele lappen tekst van Leonard Nolens. Maar de befaamde blaas haalde slechts de schouders op en zei: ‘De wereld is mijn bibliotheek.’
    ‘Soms kan je als kunstenaar niets anders dan wat zich in de wereld voordoet te verwerken in een kunstwerk. De kunstgeschiedenis is een samenvatting van feiten en beelden die zich aan kunstenaars hebben gepresenteerd en verwerkt werden in een schilderij, beeld, partituur of boek. Neem Picasso en zijn Guernica, dat heeft zich ook opgedrongen, Picasso was tot dat kunstwerk bewogen.’
    Of neem mijn buurman en zijn brievenbus, die bus heeft zich ook opgedrongen, ik zag een gleuf en was tot dat vergrijp bewogen.
    Niet gehinderd door de uitspraak van de rechter besluit Geert Hoste: ‘Sören Kierkegaard is in zijn standaardwerk over ironie heel duidelijk: “De ironie maakt het dichtwerk en de dichter (cq schilderij en schilder) vrij.”’
    Na de veroordeling ging Tuymans in beroep. Dat Katrijn Van Giel vervolgens bereid was tot een minnelijke schikking, siert haar. 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten