Gisteren las ik fragmenten voor uit mijn te verschijnen roman God is klein geschapen tijdens Around The Rug in Amsterdam. Dat was fijn om te doen.
Ook fijn was dat ik met meer naar huis ging dan waarmee ik gekomen was. Prima stuff voor the long road home: de cd Ten feet of wind van Port Of Call en het boek Huil maar, ik wens je uitstel toe van Joubert Pignon.
Posts tonen met het label Muziek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Muziek. Alle posts tonen
maandag 20 april 2015
donderdag 4 december 2014
Geen bijzonder innige deelneming
De uitgeverij van Luc De Vos gaat niet naar de begrafenis van Luc De Vos. De uitgeverij laat een krans bezorgen. Da's geen bijzonder innige deelneming. Bovendien heeft de familie gevraagd geen bloemen of kransen te bezorgen maar geld te storten voor Natuurpunt, waarvan De Vos peter was. Misschien zou De Vos de afwezigheid van zijn uitgeverij gerelativeerd hebben, misschien zou hij geen verwachtingen daaromtrent hebben gehad. Ik moet nu denken aan een omkaderingsprogramma van een WK-voetbalwedstrijd dat uitgezonden werd vanuit een tv-studio waarin een vrouw uit het gastland kookte voor de analisten. Luc De Vos was een van de analisten. Tijdens de rust vroeg gastheer Carl Huybrechts met het oog op de tweede helft: 'Luc, wat verwacht jij nog?' Waarop Luc antwoordde: 'Ik verwacht nog een stukje zalm.' Alles is relatief, Luc De Vos is dood en net als voetbal is God overal. En in een uitgeefhuis in Amsterdam laat men de rouwkledij in de kast liggen tot God een bestsellerauteur tot zich roept.
zondag 30 november 2014
I.M. Luc De Vos
‘Fucking hell. Roept u dat ook weleens: fucking
hell?’ Met deze woorden opende Frank Vander linden in Humo zijn bespreking van
de debuut-cd van Gorky. Ja, we riepen dat ook weleens. Toen, in 1992, en
nog vaak daarna wanneer Anja, De Redder en De Twaalf Andere Songs
op Gorky als harten om voorrang
vochten onder onze jongensriem. En ook gisteren, toen Martine Tanghe het
nieuws bracht dat we nog niet kunnen geloven.
In april van dit jaar trad ik samen met Iwein
Segers op in de foyer van een klein theater in Aalst. Er was twaalf man publiek
maar Luc vulde de foyer met de slappe lach die een van mijn teksten hem
ontlokte: ‘Mijn favoriete Verbotene Liebe-personage is Maria
di Balbi. Omdat ze dikke tieten heeft, tieten waar ik mee vertrouwd ben.
Soms belt Maria naar Charlie Schneider, en dan zegt ze: ‘O Charlie, ich
liebe dich.’ Waarop Charlie sist: ‘Bist du ganz krank, Balbi, das ist
verboten!’ Waarna hij de hoorn neergooit en in zijn kelder een
jood gaat folderen. ‘Folderen’ betekent folteren met een tikfout. Joden
zijn enorm gevoelig voor tikfouten. Er was ooit een jood in Auschwitz die zich
ophing aan een douchekop omdat er een tikfout in zijn kampnummer stond. De jood
in Charlie Schneider zijn kelder geeft tijdens het folderen echter geen
krimp. ‘Waarom geef jij echter geen krimp?’ vraagt Charlie. ‘Omdat ik
analfabeet ben,’ zegt de jood. Dat moet je uitgerekend tegen Charlie Schneider
zeggen. Om een lang verhaal kort te maken: de jood gaat dood. Waarmee nog maar
eens bewezen is: een aflevering van Verbotene Liebe duurt 25 minuten en
aan het eind winnen de Duitsers.’ Luc De Vos die de slappe lach kreeg om een fragment
uit een van mijn boeken, daar kon ik wel een paar dagen mee verder.
Op mijn nachtkastje ligt nu al een paar weken, ongelezen omdat ik in vier andere boeken bezig ben, zijn laatste roman. Op de achterkant van Paddenkoppenland staat een quote van schrijver Joubert Pignon: ‘Luc De Vos is een held.’ Pignon heeft net als ik in zijn eerste boek Ooit was ik een soldaat geciteerd. Pignon is net als ik geboren in 1978. We kunnen nooit meer 14 zijn en voor het eerst Gorky horen. Maar het was een geweldige leeftijd om die veertien songs in je kamer over je heen te krijgen. We zijn nu 36, we worden langzaam grijs, we luisteren in chronologische volgorde naar de platen van een held en zijn groep in een kamer in een huis dat we zelf gekocht hebben, we proberen niet méér te drinken dan strikt noodzakelijk is. We zijn 36 en nog maar pas begonnen. Luc De Vos is veel meer dan 52 geworden.
De Redder
nam ik ooit op in een dichtbundel die we voor een leraar Nederlands moesten
samenstellen en waaruit we vooraan in de klas twee gedichten moesten voorlezen.
‘Weet jij wanneer de redder komt? Moeder zei dat hij nooit meer komt. Maar als
hij komt dan sta ik klaar en ik vertel hem over al de dingen die ik deed toen
ik gedronken had en die de mensen niet verstaan. Je hield je in, je wou me
slaan. Lieveling, jij mag me slaan.’ Toen ik het gelezen had, zei de leraar: ‘Het
is goed in zijn genre.’ Ook Beste Bill,
van Hij leeft, nam ik op in die bundel. ‘Beste Bill, ik zag daarnet je
vrouw en ze zei dat je langzaam impotent wordt. Is dat waar? Arme, beste kerel.
Wie zal je troosten als je vruchteloos verlangt?' Het zijn zeer geschikte
zinnen om je aan vast te houden terwijl om je heen de alledaagse waanzin woedt.
Een van mijn favoriete Vos-zinnen staat op
Monstertje: ‘Molly, toen je me pijpte was ik eigenlijk niet gelukkig, want
ik wist al dat je me zou verlaten.’ De Vos speelde Molly in de Vooruit
in Gent, tijdens die Geletterde Mensen-tournee met Herman Brusselmans en Hugo
Matthysen die mij als 17-jarige deed besluiten: godverdomme, dit wil ik ook
doen.
Op mijn nachtkastje ligt nu al een paar weken, ongelezen omdat ik in vier andere boeken bezig ben, zijn laatste roman. Op de achterkant van Paddenkoppenland staat een quote van schrijver Joubert Pignon: ‘Luc De Vos is een held.’ Pignon heeft net als ik in zijn eerste boek Ooit was ik een soldaat geciteerd. Pignon is net als ik geboren in 1978. We kunnen nooit meer 14 zijn en voor het eerst Gorky horen. Maar het was een geweldige leeftijd om die veertien songs in je kamer over je heen te krijgen. We zijn nu 36, we worden langzaam grijs, we luisteren in chronologische volgorde naar de platen van een held en zijn groep in een kamer in een huis dat we zelf gekocht hebben, we proberen niet méér te drinken dan strikt noodzakelijk is. We zijn 36 en nog maar pas begonnen. Luc De Vos is veel meer dan 52 geworden.
woensdag 6 juni 2012
Onder de mat
Naar aanleiding van de Humo-reeks ‘30 jaar popgeschiedenis opnieuw beluisterd’ zou ik uw aandacht willen vragen voor een prachtige, ondergeschoffelde plaat.
Now it’s closing time, the music’s fading out. – Tom Waits
Vrijdag 9 oktober 2009
Beste Tom,
Je overburen hadden mij verteld dat jij na de sluiting van je platenwinkel in café Windsor was gaan werken, maar toen ik daar vanmiddag aan een tafel ging zitten en eerst om een glas bier en vervolgens naar jou vroeg, bleek de cafébazin niet te weten wie je was. Ze had het café nog niet lang geleden overgenomen. Jij was blijkbaar niet mee overgenomen.
Ik vraag me af hoe ik het zou hebben gevonden om jou in café Windsor achter de toog te zien staan. Er hingen elektrische gitaren en foto’s van bluesmuzikanten aan de muur en ik was de enige klant: veel verschil met vroeger zou er niet geweest zijn.
Het jaar was 2001. Ik liep de Center binnen en jij zei: ‘Tim, ik heb iets dat je moet horen.’
Je gaf me een cd met op de cover het bleke gezicht van een man, de naam Matthew Ryan, de titel Concussion en onder de titel de songtitels. Het is meestal een goed teken als de songtitels op de cover staan.
Ik ging op een kruk zitten, zette een koptelefoon op en stak de cd in een cd-speler. Ik drukte op play.
Een akoestische gitaar werd aangeslagen, en dan de stem die kraakte. Hittin’ it hard, hittin’ it long. Up all night, tryin’ to write this song.
Ik wist toen al dat ik de cd ging kopen, maar ik bleef zitten. Jij had het muziekmagazine Heaven voor me opengelegd, in een kader stond een bespreking van de cd waar ik naar luisterde. De recensent schreef: ‘Hier moet ik over schrijven.’
Matthew Ryan heeft er zelf ook over geschreven in het cd-boekje: ‘We started recording on June 25th. Summer hadn’t really broke yet. For the first time since childhood I was disappointed about this. You see, these songs had a humidity about them; a kind of determined slowness, not unlike summer itself.’
Later kocht ik zijn cd’s May Day en Happiness. Goeie platen, maar Concussion is De Plaat.
De Center was de laatste winkel in Aalst waar je dit soort platen kon kopen. Jaren geleden al, ik zat nog op het college, moesten de Pop Shop en Solbemol hun deuren sluiten. Nu is er nog de Free Record Shop, maar dat noem ik geen platenwinkel.
Toen ik na mijn bezoek aan café Windsor door de stad fietste, keek ik naar de gevels waartegen ik vroeger graag mijn fiets parkeerde en waarachter nu swingcafés en kantoren huizen.
We gaan door, dacht ik met het vooruitzicht op een glas bier in mijn keuken.
Tim
Now it’s closing time, the music’s fading out. – Tom Waits
Vrijdag 9 oktober 2009
Beste Tom,
Je overburen hadden mij verteld dat jij na de sluiting van je platenwinkel in café Windsor was gaan werken, maar toen ik daar vanmiddag aan een tafel ging zitten en eerst om een glas bier en vervolgens naar jou vroeg, bleek de cafébazin niet te weten wie je was. Ze had het café nog niet lang geleden overgenomen. Jij was blijkbaar niet mee overgenomen.
Ik vraag me af hoe ik het zou hebben gevonden om jou in café Windsor achter de toog te zien staan. Er hingen elektrische gitaren en foto’s van bluesmuzikanten aan de muur en ik was de enige klant: veel verschil met vroeger zou er niet geweest zijn.
Het jaar was 2001. Ik liep de Center binnen en jij zei: ‘Tim, ik heb iets dat je moet horen.’
Je gaf me een cd met op de cover het bleke gezicht van een man, de naam Matthew Ryan, de titel Concussion en onder de titel de songtitels. Het is meestal een goed teken als de songtitels op de cover staan.
Ik ging op een kruk zitten, zette een koptelefoon op en stak de cd in een cd-speler. Ik drukte op play.
Een akoestische gitaar werd aangeslagen, en dan de stem die kraakte. Hittin’ it hard, hittin’ it long. Up all night, tryin’ to write this song.
Ik wist toen al dat ik de cd ging kopen, maar ik bleef zitten. Jij had het muziekmagazine Heaven voor me opengelegd, in een kader stond een bespreking van de cd waar ik naar luisterde. De recensent schreef: ‘Hier moet ik over schrijven.’
Matthew Ryan heeft er zelf ook over geschreven in het cd-boekje: ‘We started recording on June 25th. Summer hadn’t really broke yet. For the first time since childhood I was disappointed about this. You see, these songs had a humidity about them; a kind of determined slowness, not unlike summer itself.’
Later kocht ik zijn cd’s May Day en Happiness. Goeie platen, maar Concussion is De Plaat.
De Center was de laatste winkel in Aalst waar je dit soort platen kon kopen. Jaren geleden al, ik zat nog op het college, moesten de Pop Shop en Solbemol hun deuren sluiten. Nu is er nog de Free Record Shop, maar dat noem ik geen platenwinkel.
Toen ik na mijn bezoek aan café Windsor door de stad fietste, keek ik naar de gevels waartegen ik vroeger graag mijn fiets parkeerde en waarachter nu swingcafés en kantoren huizen.
We gaan door, dacht ik met het vooruitzicht op een glas bier in mijn keuken.
Tim
maandag 27 juni 2011
Huis en veld en zon
Iets in deze trant wilde ik een tijd geleden aan Jan De Wilde vertellen in de foyer van toneelgezelschap TAL, waar ik bardienst deed en bij de afwas geholpen werd door De Wilde en zijn vrouw Lieve. Ik dacht: ik sta hier af te wassen met de schrijver van Walter. Ballade van een goudvis, een van de mooiste liedjes waaraan een mens zich in dit pandemonium vast kan houden. ‘Nou,’ begon ik, ‘toen ik vanochtend opstond had ik niet kunnen denken dat ik vanavond samen met Jan De Wilde en zijn vrouw glazen zou spoelen.’ Bescheiden glimlachte de zanger. Hij draaide een plastieken bord uit een handdoek, en vroeg: ‘Waar staan deze?’ Vanuit de zaal kondigde applaus het einde van het stuk aan. ‘Daar,’ wees ik.
dinsdag 3 mei 2011
Omer Stihl
Wat moet een mens de hele dag doen nu het wk snooker afgelopen is? De nieuwe versie van mijn tweede boek heeft de zegen van een Befaamd Auteur en ligt nu op het bureau van een Befaamd Uitgever. In afwachting van zijn oordeel hang ik zo’n beetje rond in het getto. Terwijl de gettoblaster platen van Lou Reed, The Scene en Jef Mercelis blast, lees ik boeken van Saul Bellow (Humboldts gift) en Omer Stihl (Nutshell shit). Omer Stihl leerde ik onlangs kennen tijdens een barbecue in Hofstade, Oost-Vlaanderen. Hij is geboren in 1964 in Jacksonville, Florida en verhuisde twee jaar geleden naar België vanwege de ziekteverzekering hier. ‘In the States it’s called “health insurance”, but it should be vice versa. I’m sure I’m healthier now that I’m getting money to buy beer.’ Toffe man. Zijn boek Nutshell shit heeft het formaat van een bierviltje en bevat op iedere pagina een oneliner, in de trant van: ‘I met this girl who was wearing three-quarter pants. After two quarters she wanted me to eat her shorts.’ Hij stelde voor om zijn nieuwe bundel Stihl crackin’ integraal op mijn blog te publiceren. Hij wil natuurlijk meedrijven op de stroom van lezers die ik hier elke dag krijg sinds mijn brief aan Kristien Hemmerechts. Maar ik gun dat die zieke klootzak wel. Bovendien is dit nog maar mijn honderdste bericht sinds ik in oktober 2009 met deze blog begon, dus een co-auteur zou hier wat meer leven in de brouwerij kunnen brengen. Enfin, we zullen zien.
dinsdag 5 april 2011
Benul
Zondag 3 april 2011
Geachte,
Al een paar weken – of zijn het al maanden? – woon ik boven de spraakriool die u bent.
Sommige mensen staan te boek als een spraakwaterval. U klinkt als iemand die deelneemt aan het wereldrecord didgeridoo spelen in een riool.
Ik ben een soort van schrijver. In mijn schrijfkamer luister ik naar muziek. De laatste tijd zet ik vooral Blood On The Tracks van Bob Dylan op, een laaiend akoestische plaat die het opneemt tegen de galmende akoestiek van het lege vertrek eronder.
Heeft u nog veel renovatiewerk in uw appartement voordat de nieuwe huurders (of kopers) erin trekken? De vorige bewoners waren niet bepaald mensen die het verstand hebben uitgevonden, ik heb over hen geschreven in mijn boek De geachten. Misschien zoekt de eigenaar van een woonst naar zichzelf in de huurders ervan. In dat geval zal ik mijn verwachtingen omtrent mijn nieuwe onderburen nog niet te hoog spannen.
Een man wiens roepende mond geen twee minuten stilstaat is een irritante, degoutante en vooral domme mens. Zondag is de dag waarop ik aan empathie doe, dus ik probeer even met u mee te denken. Bent u opgevoed door marktkramers? Heeft u een echtgenote bij wie het ’s avonds gemakkelijker thuiskomen is zonder stem? Wordt u ongemakkelijk van stiltes tussen u en de man met wie u hieronder samenwerkt? Ik vermoed dat het een man is, ik hoor ’m nooit, ik hoor alleen u. Ik stel mij een man voor met relatieproblemen omdat hij iedere avond tegen zijn vrouw moet zeggen dat hij hoofdpijn heeft. Terwijl u met een blikje bier voor tv zit, gooit hij een Dafalgan in een glas kraantjeswater.
U lijkt mij typisch zo’n man zonder enig benul en daardoor domweg gelukkig. Ik word ook weleens irritant en degoutant genoemd, en toch kan ik mijzelf niet als domweg gelukkig omschrijven. Als ik twintig glazen hef weet ik exact hoeveel ik er gedronken heb op de slijtage van het benul.
T.F.
Geachte,
Al een paar weken – of zijn het al maanden? – woon ik boven de spraakriool die u bent.
Sommige mensen staan te boek als een spraakwaterval. U klinkt als iemand die deelneemt aan het wereldrecord didgeridoo spelen in een riool.
Ik ben een soort van schrijver. In mijn schrijfkamer luister ik naar muziek. De laatste tijd zet ik vooral Blood On The Tracks van Bob Dylan op, een laaiend akoestische plaat die het opneemt tegen de galmende akoestiek van het lege vertrek eronder.
Heeft u nog veel renovatiewerk in uw appartement voordat de nieuwe huurders (of kopers) erin trekken? De vorige bewoners waren niet bepaald mensen die het verstand hebben uitgevonden, ik heb over hen geschreven in mijn boek De geachten. Misschien zoekt de eigenaar van een woonst naar zichzelf in de huurders ervan. In dat geval zal ik mijn verwachtingen omtrent mijn nieuwe onderburen nog niet te hoog spannen.
Een man wiens roepende mond geen twee minuten stilstaat is een irritante, degoutante en vooral domme mens. Zondag is de dag waarop ik aan empathie doe, dus ik probeer even met u mee te denken. Bent u opgevoed door marktkramers? Heeft u een echtgenote bij wie het ’s avonds gemakkelijker thuiskomen is zonder stem? Wordt u ongemakkelijk van stiltes tussen u en de man met wie u hieronder samenwerkt? Ik vermoed dat het een man is, ik hoor ’m nooit, ik hoor alleen u. Ik stel mij een man voor met relatieproblemen omdat hij iedere avond tegen zijn vrouw moet zeggen dat hij hoofdpijn heeft. Terwijl u met een blikje bier voor tv zit, gooit hij een Dafalgan in een glas kraantjeswater.
U lijkt mij typisch zo’n man zonder enig benul en daardoor domweg gelukkig. Ik word ook weleens irritant en degoutant genoemd, en toch kan ik mijzelf niet als domweg gelukkig omschrijven. Als ik twintig glazen hef weet ik exact hoeveel ik er gedronken heb op de slijtage van het benul.
T.F.
vrijdag 18 maart 2011
Afdeling Nederlandstalig
Tijdens een of andere interland zei commentator Rik De Saedeleer na een paar minuten stilte: 'Ja, als er niks gebeurt kan ik niks zeggen, hè.' Waarna hij weer zweeg tot er iets gebeurde. Vroeger was alles stiller.Tot er tussen de krijtlijnen van mijn leven weer een bal aan het rollen gaat, luister ik in mijn commentaarhok naar de stille plaat Over andere mensen van Familie Segers. Als ik ooit nog eens een compilatiecassette voor een meisje maak, ga ik er Je ingebeelde vriendje bestaat niet meer op zetten. De plaat wordt naar het schijnt nog niet op de radio gedraaid - misschien hebben de mensen die over de speellijsten gaan geen huiskamer - maar ze is verkrijgbaar in de betere platenzaak en in de Free Record Shop.
Zie ook http://www.iweinsegers.be/
Zie ook http://www.iweinsegers.be/
maandag 7 maart 2011
Dagen
‘Er zijn dagen dat ik denk: het kan gepubliceerd worden, en er zijn dagen dat ik denk: ik moet het in de vuilbak smijten.’‘Allebei niet waar,’ zei mijn agent.
Er is, kortom, nog werk aan mijn boek. Maar dat moest Anne Frank na anderhalf jaar ook toegeven.
Gisteren zat ik met twee Limburgse vrouwen en een dito man voor het podium van de AB. De man zei: ‘Weet je aan wie jij me doet denken?’
‘Jezus!’ probeerde een van de vrouwen hem voor te zijn.
‘Nee,’ zei de man, ‘Brusselmans.’
‘Hey, hij is wel knapper dan Brusselmans, hè.’
‘Zijn haar is mooier,’ sprak ik.
Altijd als ik in gezelschap word vergeleken met Brusselmans is er iemand die verontschuldigend zegt dat ik knapper ben dan hem. Zelf vind ik Brusselmans een mooie mens, maar ik heb mijn eigen idee van mooi.
‘Hij heeft ook dezelfde intonatie,’ ging de man verder.
Een half leven al moet ik het opnemen tegen Jezus en Brusselmans. Geen wonder dat ik mij niet schuldig voel als ik een dag niks doe.
Het zaallicht doofde. Intergalactic Lovers betrad het podium en speelde allemaal nummers die ik graag nog een keer zou horen. De zangeres zette pasjes die te kort waren om voor danspassen door te gaan en ze speelde op een Gibson en een basgitaar. Zo’n vrouw moet God voor ogen hebben gehad toen hij die appel in Eva’s gezichtsveld hing.
Buffalo Tom speelde allemaal nummers die ik al had gehoord (met dank aan luisterpaal). Ze begonnen met Velvet Roof uit Let Me Come Over, door Luc De Vos ooit ‘de plaat van de wanhoop’ genoemd. We schrijven het jaar dat De Vos de wanhoop zijn eerste oplawaai verkocht. Bartje staat te kijken door het raam op de hoes van Big Red Letter Day, ook een plaat die meedraait met de jaarringen onder mijn boomhut. De maan schijnt door de bomen, de brave mensen gaan naar de zee. De slechte mens Gerard Reve werd ooit gevraagd om op tv iets voor te lezen ter afsluiting van de dag. De schrijver antwoordde: ‘Ik wil gerust de dag afsluiten, alleen ben ik bang dat hij dan de volgende ochtend niet meer open zal gaan.’
woensdag 26 januari 2011
Tom Helsen, waar ben je gebleven?
Zondag 31 maart 1996. Novastar wint Humo’s Rock Rally. Tweede wordt een 19-jarige jongen met een roze elektrische gitaar waarop hij Hotellounge van dEUS kan spelen, en Rebecca, een liedje waaronder je de afdruk in de bedrand nog ziet. Hij heet Tom Helsen en ik hoop dat dat zijn groepsnaam zal blijven. Twee jaar later maakt hij met een bassist en een drummer een plaat die Tom Helsen heet. Ze spelen in de garage, op de vloer ligt een matras want aan sommige liedjes zit nog een bedrand. Samen met Ik ben aanwezig van Gorki is Tom Helsen de plaat waar ik het vaakst naar luister terwijl ik mijn eerste romanmanuscript schrijf. Het manuscript wordt niks maar Tom Helsen maakt een tweede plaat die hij Tom Is Doing Great noemt en waarvan de eerste twee nummers een schaduw werpen over de rest. Vanuit medialand komen donkere wolken opzetten en Tom Helsen tast in het duister. Zijn hand vindt de hand van een blonde god en schudt. Zappend kom ik terecht in de mix van Regi Penxten en Tom Helsen. Een goed boerend werkpaard en een arm schaap uitgespuwd door een jonge wolf. Soms spuwen mensen zichzelf uit en vragen ze geld voor de fluim die ze zijn geworden. Zie ook Jean-Marie Pfaff. De keeper was er toch zelf bij toen hij in die zomer van 1986 de Grote Markt van Brussel van blote borsten voorzag? Als zijn hemdskraag besmeurd was kwam dat niet door een firmanaam, maar door werkzweet of champagne. Sommige mensen worden helden omdat ze met bezieling op een krijtlijn staan en dan zie je ze aan een tafel zitten met een jongen die blijkbaar iemand heeft zien gaan met basketschoenen aan, en dan weet je niet meer wat hen bezielt. Ik vraag me af of Tom Helsen Worst Case Scenario nog weleens oplegt.woensdag 8 december 2010
1994 was een goed jaar
Op tijd en stond keer ik terug naar het jaar 1994. Ik was 16, en in mijn kop heb ik zestien jaar later nog steeds die leeftijd. Je moet rekenen dat ik in die dagen een complete idioot was. Tijdens de zomerexamens schreef ik tussen het studeren en het kijken naar de wereldbeker een dichtbundel voor een meisje. De titel van de bundel was Poëzie met een omweg naar de clou. Ik herinner mij één gedicht: 'De kat zegt miauw. / Ik zeg / ik hou van jiauw.' Die omweg in de titel sloeg waarschijnlijk op het woord 'jiauw'. Gelukkig waren er voor de wankelmoedige mens die ik was een paar dingen waar ik mij aan vast kon houden. In 1994 debuteerden zowel Arnon Grunberg, Paul Mennes, Hans Teeuwen, dEUS en Gummbah (afbeelding). Noordkaap maakte het briljante Gigant, Brusselmans stopte met drinken en schreef met Het oude nieuws van deze tijden een van zijn ontroerendste romans, en Tarantino liet Pulp Fiction los. Werk voor de eeuwigheid waar ik nog dikwijls naar teruggrijp. Kurt Cobain greep naar een geweer, maar ook voor hem begon toen het eeuwige leven. Er was slechts één man die dat jaar dringend verminkt moest worden door zes Albanezen: Kurt Röthlisberger. Een aanfluiting van een scheidsrechter die de duidelijke penaltyfout tegen Josip Weber niet floot, waardoor de Duitsers wonnen met 3-2 en doorgingen naar de kwartfinales. Gelukkig stak dat meisje voor wie ik die dichtbundel schreef later die zomer haar tong in mijn mond. Mijn advies voor de jeugd: schrijf nooit poëzie, tenzij er uitzicht is op een tongzoen. 1994 was een goed jaar, doch nu terug naar het heden waarin ik een mail moet beantwoorden van een lezeres die mij vraagt wat ik zou doen als ik nog één uur te leven had. Mijn lezeressen stellen mij altijd van die existentiële vragen: wie zijn we? waar komen we vandaan? waarom zou ik een okapi aftrekken? Als ik een okapi had, ik zou 'm Dooie Kapi noemen.
zondag 14 november 2010
Dulli

Met z'n vijven zitten we in de Saab op weg naar de man die onze jeugd aan stukken zong met zinnen als 'Your attention, please / Now turn off the light / Your infection, please / I haven't got all night'. Het regent. Op het ritme van de ruitenwissers ga ik heen en weer tussen troosteloosheid en het uitzicht op troost. Voor het concertgebouw staat een hamburgerkraam. Straks dat kraam achter de Saab haken en nooit meer stoppen met rijden, alleen om te tanken en een hamburger te eten. De wereld is groot genoeg om er nog een half leven van weg te rijden. Dan staat voor ons de man Greg Dulli in een piramide van rook, zijn hand schuift omlaag over de hals van zijn gitaar en wurgt er de intro van If I were going uit. Herkenningskreten, velen van ons zijn kapotgegaan op dat nummer. Ik luister naar de woorden, 'And it don't bleed / And it don't breathe / It's locked its jaws and now it's swallowing / It's in our heart, it's in our head / It's in our love, baby, it's in our bed', en ik kijk naar de rook en ik denk aan de volgende dag. Greg Dulli denkt verder en laat ons achter met een belofte: 'See you next year, with the greatest rock-'n-rollband in the world'. De volgende dag zitten zij en ik in ons vergeelde leven zoals het meisje en de jongen op de hoes van Gentlemen.
dinsdag 19 oktober 2010
Marble Sounds
Als rollen wc-papier gooiden mijn proeflezers hun aan- en opmerkingen in de zestien meter van mijn ego. 'Deze zin lijkt geschreven door een kind uit de lagere school.' 'Deze bladzijde moet er volledig uit.' Wat zou een schrijver zijn zonder mensen die hem op tijd en stond aanmoedigen? Een schrijver die zijn computer op den duur aan de wilgen hangt. Zoals mijn grootvader Clifton. Schrijven dat die deed! Tot hij ineens dacht: als niemand een keer 'hup, Clifton, hup!' zegt, kan ik er net zo goed mee stoppen. Waarna hij zich volledig wijdde aan zijn hobby's tuinieren en partnergeweld. Na zijn dood liet hij een kartonnen doos met manuscripten achter, waaronder de lijvige kroniek In onze familie is partnergeweld gewoon een ander woord voor seks. Wat was ik graag zijn proeflezer geweest, dan had ik vele harten onder zijn riem gestoken. Bij een van mijn proeflezers keek ik gisteren met een oogappel in mijn armen naar de heel mooie videoclip van Sky high van de Belgische band Marble Sounds. Het is goed dat er in deze jachtige tijden waarin de M van MTV allang niet meer voor Muziek staat, nog liefde en tijd in videoclips wordt gestoken. Moge the sky the limit zijn voor Marble Sounds.
donderdag 16 september 2010
Alles gaat nog altijd z'n teloorgangetje
Als ik mijzelf hier zo eens bezig hoor zou ik liever iemand anders bezig horen. Bill Callahan bijvoorbeeld. Onder de naam Smog maakte hij mooie platen als Red apple falls en A river ain't too much to love. Uit Running the loping: 'I lay on the bed in the dark / Laughing at things I think of / Getting off on the pornography of my past / Lighting matches and dropping them / into a wet glass.' Gisteren voegde Liselotte Callahans plaat Sometimes I wish we were an eagle toe aan de soundtrack van het psychologische drama dat mijn leven is. Vrolijker word je van zo'n plaat niet, maar triester ook niet. Zinnen als 'I used to be darker / then I got lighter / then I got dark again' zijn uitermate geschikt om op te walsen met je glas, terwijl je door het raam staat te kijken. Of nadat je hoofdschuddend de televisie hebt uitgezet. Gisterenavond hoorde ik mijn oude vriend Bert Gabriëls in Volt over sla praten. Bert Gabriëls over sla. Je moet rekenen dat ik Bert gekend heb als de ongewassen komiek die in zijn auto woonde op een bedje van halveliterblikken en dubieuze chips. Zonde van de zendtijd, kon ik niet nalaten om te denken toen ik het toestel uitzette. Soms zie je mensen van vroeger bezig, en denk je: ben ik vergeten mee te evolueren of zijn zij het spoor bijster? Ik ga voor het gemak van het tweede uit. Mijn compagnon de route Iwein Segers was een van de weinige werkelijk grappige snotneuzen in de zakdoek die dit land is, en dan gaat hij vrijwillig met derderangs-bv's en -bh's op een eiland zitten. Goed, het was komisch toen hij tegen de Oud-Nederlands pratende aap genaamd Sugar Jackson zei: 'We zullen moeten leren om in de bomen te leven', en ik kan mij voorstellen dat het goed lachen is met buikspreker Sergio (mooi interview met hem in de Humo laatst), maar ik wil toch liever van Iwein weten hoe het met die roman staat die hij zou gaan schrijven in plaats van of hij de immuniteit heeft. In de kamers van mijn hart wonen een paar mensen die ik altijd graag zal zien, maar ik ga ze geen sla brengen als ze de roomservice bellen. Mijn vader, een man die ik alleen ken van mijn eigen gebreken, sloot reeds in de jaren tachtig het tv-toestel in zijn armen. Hij stapte ermee naar het balkon en liet het door de zwaartekracht drie verdiepingen lager afleveren. Aan die aflevering moet ik weleens denken als ik naar Het leven zoals het is: Peter Van Asbroeck zit te kijken. Vaak heb ik dan heimwee naar de tv-programma's van Luk Alloo. 1 uur tijdverlies en vooral Sterren & kometen waren tongues die zich als averechtse kaakslagen in de cheeck van de Vlaamse Televisie Maatschappij drukten. Ik herinner me het deugddoende uur tijdverlies met eeuwige stamper Herman Brusselmans en het muurbloempje Ingeborg dat met haar mond vol meeldraad aan Luk Alloo vroeg of hij het goed vond als ze even de studio verliet. (Brusselmans: 'Ja, da's goed.') Wat Brusselmans betreft is er niks veranderd. Luk Alloo is later ghostwriter voor uitgeverij Lampedaire geworden.
donderdag 8 juli 2010
De uitroeiing van de aap
Dag lezer, heb jij dat ook als je een terras uitbreekt, dat je de dag nadien pijn aan je rug hebt? Ik wel. Je moet rekenen dat het van 2003 geleden was dat ik fysieke arbeid had verricht. Onder de terrastegels zat een mierennest met honderden eitjes. De eitjes leken groter dan de mieren. Paniekerig probeerden de insecten de eitjes in veiligheid te brengen, maar er was geen veiligheid. Ze stierven in wit schuim. Je zou ’t mij misschien niet aangeven, maar een kruiwagen terrastegels in mijn handen staat me wel. Af en toe fietste er een mooi meisje in een zomerjurk voorbij en wat moet je nog meer hebben? Een vergunning om terrastegels naar apen op irritante bromfietsen en in discotheken op vier wielen te smijten. Als ik formateur was, ik zou tegen de koning zeggen: ‘Sire, ik stel niet veel voor maar ik stel voor dat we met z’n allen werken aan de uitroeiing van de aap.’ Ik denk dat zo’n Sire mij wel een plezante formateur zou vinden. Maar voor hetzelfde geld zegt hij: ‘Stop maar met formateren.’ Het zal ervan afhangen of Paola’s mond kort voor mijn bezoek rond de koninklijke roede zat of niet, want zo’n Sire is ook maar een mens die afgezogen wil worden. Soms ben ik bang dat als het Vlaams Fonds voor de Letteren deze blog leest, ik naar de subsidies voor mijn tweede boek zal kunnen fluiten. Nochtans ben ik in wezen een ernstig auteur die niks minder dan een oeuvre uit zijn Waterman-pen wil knijpen. Mij dunkt dat het hier toch nog even naar onzin zal blijven ruiken. Het secce, tragikomische schrijven is voor mijn boeken, de bullshit voor deze blog. Ik las trouwens in de biografie van de Vlaamse zanger Will Tura dat hij ooit ook subsidies gekregen heeft. Voor zijn lied Mooi ’t leven is mooi had hij geld nodig om research te doen, want het leven, dat was iets wat hij alleen maar van horen zeggen kende. Zestienduizend frank heeft hij daarvoor gekregen. Hij is ermee naar de zonnebank geweest en toen hij halfgaar gestoofd was schoot hem de zin ‘Mooi ’t leven is mooi zolang er zon is’ te binnen. Maar omdat die zin niet in de melodie paste, voegde zijn producer er muziek en kinderen aan toe. Mooi ’t leven is mooi my ass. Alsof er geen katholieke priesters en bisschoppen bestaan. Alsof Dirk Draulans onvruchtbaar is. Alsof de moslims vanzelf van hun fiets vallen. De enige goeie Vlaamse zanger is een Vlaamse zanger die vastgebonden op een stoel onderworpen wordt aan cd’s van The Black Box Revelation en The Hickey Underworld tot zijn trommelvliezen door Satan zelve over de trommels van Keith Moon gespannen worden. In de hel is het cooler dan buiten. Mijn tip voor de jeugd: creëer je eigen hel en blijf binnen. En luister eens naar Abused van Motek.
woensdag 14 april 2010
De eerste versie
Twee weken geleden voltooide ik de eerste versie van mijn tweede boek. Een week liet ik ze liggen en toen herlas ik ze. Het leek me typisch zo’n eerste versie waar nog werk aan is. Zo gezegd, zo gedaan. De voorbije week heb ik koortsachtiger zitten schrijven dan Pieter Aspe in die week dat hij koorts had en dacht: dan kan ik net zo goed een thriller schrijven. Tijdens het schrijven luisterde ik naar telkens dezelfde cd’s:
The long road home van John Fogerty/CCR
Greatest Hits van The Band
Brighter Than Creation’s Dark van Drive-By Truckers
The Velvet Underground & Nico
Thy Will Be Done van Ze Noiz
Een heel klein beetje oorlog van Noordkaap
Stijn Meuris heeft onder zijn familienaam een aantal Noordkaap-nummers opnieuw opgenomen. Ik wil ze niet horen. Noordkaap is de beste Nederlandstalige rockgroep die er ooit is geweest. En dat wil wat zeggen, rekening houdend met The Scene.
Gisteren heb ik de eerste versie naar mijn uitgever gemaild. Hij mailde al terug dat hij de eerste zin goed vindt. Dus da’s al goed.
The long road home van John Fogerty/CCR
Greatest Hits van The Band
Brighter Than Creation’s Dark van Drive-By Truckers
The Velvet Underground & Nico
Thy Will Be Done van Ze Noiz
Een heel klein beetje oorlog van Noordkaap
Stijn Meuris heeft onder zijn familienaam een aantal Noordkaap-nummers opnieuw opgenomen. Ik wil ze niet horen. Noordkaap is de beste Nederlandstalige rockgroep die er ooit is geweest. En dat wil wat zeggen, rekening houdend met The Scene.
Gisteren heb ik de eerste versie naar mijn uitgever gemaild. Hij mailde al terug dat hij de eerste zin goed vindt. Dus da’s al goed.
maandag 18 januari 2010
Uitgestrekte armen en wanhopige ogen
Ik denk veel aan de mensen in Haïti. Iedere keer als ik mijn glas volschenk met rode wijn, zie ik die uitgestrekte zwarte armen en die wanhopige ogen en die flesjes water. Terwijl ik aan mijn tweede boek schrijf zie ik ook uitgestrekte armen – blanke armen, van het mooiste meisje ter wereld – en wanhopige ogen met water in. Het zijn, kortom, trieste tijden.
En al dat schrijven, allemaal goed en wel, maar het hoogste goed is toch de muziek. Een boek kan ook troosten, maar niet terwijl je met gesloten ogen op de vloer van je schrijfkamer ligt. Weinig mensen weten dit, maar ik heb vroeger nog muziek gemaakt in een groepje, een duo om precies te zijn: The Anti Popes. We hebben één keer opgetreden, in de Sint-Annazaal in Aalst, de parochiezaal waar ik eerder optredens had gezien van Gorky, toen nog met een y, en Hugo Matthysen & De Bomen. We speelden eigen nummers en covers. Tot de covers behoorden Hotellounge van dEUS en Like A Hurricane van Neil Young. Ik ben er niet fier op, maar als ik alleen zou schrijven over de dingen waarop ik fier ben, dan zou ik alleen nog boodschappenlijstjes schrijven met 'Jupiler' op. Na de split van The Anti Popes was ik mathematisch gezien een solo-artiest, en toen had ik een nieuwe naam nodig. Ik dacht eerst aan This Band Is Too Small For The Two Of Us, maar toen koos ik voor Less For Bert, de vertaling van een zin die ik in Humo had gelezen over Bert Anciaux. Als Less For Bert brak ik geen potten, je mag dat rustig weten. Toen schreef ik zes nummers die ik onder mijn eigen naam ging opnemen in Zaman’s Cat Farm, de homestudio (de slaapkamer, eigenlijk) van ex-Ze Noiz-gitarist Zaman. Ze Noiz won in 1988 Humo’s Rock Rally. Ik luister nog dikwijls naar hun cd’s Thy Will Be Done en His Master’s Noiz. Hun zanger Bart Koubaa zou later schrijver worden van boeken als Vuur en De leraar. In Zaman’s Cat Farm nam ik de zes nummers op die hier nu op een cd staan, getiteld Gee, omdat ik dat een mooi woord vond en omdat het G-akkoord het meeste voorkwam in de nummers. Een van de nummers heet Cheek Thing, genoemd naar een trucje dat ik ken met mijn linkerkaak, en het bevat zinnen als ‘Someone broke my sex machine, so it’s no use inserting coins anymore’ en ‘so many bad things in one bitch, that is you’. Volgens sommige mensen was dat mijn beste nummer. Kort na die cd-opname besloot ik om alleen nog gitaar te spelen en te zingen op mijn moeder haar zolder. Sindsdien is het leven van sommige mensen iets leuker geworden.
Maar wat ik eigenlijk wilde zeggen. Bruno Deneckere schrijft en zingt geweldige songs. In de Humo van vorige week brak Pauline Verminnen (dochter van Johan) een lans voor hem, wat mij nog meer voor haar innam (ik had eerst de foto’s bij het interview bekeken en die hadden mij al voor haar ingenomen). Ik heb drie cd’s van Bruno Deneckere. Twee cd’s die hij gemaakt heeft met The Pink Flowers: Tune In en Blind Man’s Son, en één solo-cd: Down The Road. Op die laatste zingt hij in het openingsnummer Only If I Wanted To: ‘I could write a number one hit, if I’d only put my mind to it. And then I could be so full of it, if I wanted to.’ Hij hééft nummer 1-hits geschreven, alleen weet geen enkele hitparade daarvan. Ga ’m ontdekken, ergens.
En al dat schrijven, allemaal goed en wel, maar het hoogste goed is toch de muziek. Een boek kan ook troosten, maar niet terwijl je met gesloten ogen op de vloer van je schrijfkamer ligt. Weinig mensen weten dit, maar ik heb vroeger nog muziek gemaakt in een groepje, een duo om precies te zijn: The Anti Popes. We hebben één keer opgetreden, in de Sint-Annazaal in Aalst, de parochiezaal waar ik eerder optredens had gezien van Gorky, toen nog met een y, en Hugo Matthysen & De Bomen. We speelden eigen nummers en covers. Tot de covers behoorden Hotellounge van dEUS en Like A Hurricane van Neil Young. Ik ben er niet fier op, maar als ik alleen zou schrijven over de dingen waarop ik fier ben, dan zou ik alleen nog boodschappenlijstjes schrijven met 'Jupiler' op. Na de split van The Anti Popes was ik mathematisch gezien een solo-artiest, en toen had ik een nieuwe naam nodig. Ik dacht eerst aan This Band Is Too Small For The Two Of Us, maar toen koos ik voor Less For Bert, de vertaling van een zin die ik in Humo had gelezen over Bert Anciaux. Als Less For Bert brak ik geen potten, je mag dat rustig weten. Toen schreef ik zes nummers die ik onder mijn eigen naam ging opnemen in Zaman’s Cat Farm, de homestudio (de slaapkamer, eigenlijk) van ex-Ze Noiz-gitarist Zaman. Ze Noiz won in 1988 Humo’s Rock Rally. Ik luister nog dikwijls naar hun cd’s Thy Will Be Done en His Master’s Noiz. Hun zanger Bart Koubaa zou later schrijver worden van boeken als Vuur en De leraar. In Zaman’s Cat Farm nam ik de zes nummers op die hier nu op een cd staan, getiteld Gee, omdat ik dat een mooi woord vond en omdat het G-akkoord het meeste voorkwam in de nummers. Een van de nummers heet Cheek Thing, genoemd naar een trucje dat ik ken met mijn linkerkaak, en het bevat zinnen als ‘Someone broke my sex machine, so it’s no use inserting coins anymore’ en ‘so many bad things in one bitch, that is you’. Volgens sommige mensen was dat mijn beste nummer. Kort na die cd-opname besloot ik om alleen nog gitaar te spelen en te zingen op mijn moeder haar zolder. Sindsdien is het leven van sommige mensen iets leuker geworden.
Maar wat ik eigenlijk wilde zeggen. Bruno Deneckere schrijft en zingt geweldige songs. In de Humo van vorige week brak Pauline Verminnen (dochter van Johan) een lans voor hem, wat mij nog meer voor haar innam (ik had eerst de foto’s bij het interview bekeken en die hadden mij al voor haar ingenomen). Ik heb drie cd’s van Bruno Deneckere. Twee cd’s die hij gemaakt heeft met The Pink Flowers: Tune In en Blind Man’s Son, en één solo-cd: Down The Road. Op die laatste zingt hij in het openingsnummer Only If I Wanted To: ‘I could write a number one hit, if I’d only put my mind to it. And then I could be so full of it, if I wanted to.’ Hij hééft nummer 1-hits geschreven, alleen weet geen enkele hitparade daarvan. Ga ’m ontdekken, ergens.
zaterdag 26 december 2009
Vic Chesnutt
Er is goed nieuws en er is slecht nieuws. Het goede nieuws is dat er platen van Vic Chesnutt zijn die ik nog moet leren kennen. Het slechte nieuws is: Vic Chesnutt is dood.
De naam Vic Chesnutt kwam ik voor het eerst tegen in Humo, begin jaren ’90. Hij werd geïnterviewd omdat hij, alleen en in een rolstoel, het voorprogramma van Kristin Hersh deed. Soms reed hij tussen twee nummers een rondje over het podium, waarna hij zijn rolstoel terug voor de microfoon parkeerde en zei: ‘Moest even mijn benen strekken.’ Die tour met Kristin Hersh moet ten tijde van haar plaat Hips and makers geweest zijn, dat is die plaat waar Your ghost op staat, dat is dat nummer waarin Michael Stipe ‘You were in my dream, you were driving circles around me’ zingt. Stipe was een stadsgenoot van Chesnutt en de producer van zijn eerste platen, Little en West of Rome. De wereld is klein, maar als hij op je kop valt ben je dood.
Op basis van die ene bladzijde in Humo kocht ik in de lang verdwenen platenwinkel Solbemol in Aalst Chesnutts derde cd, Drunk. Hier was een man die met weinig meer dan een stem en een gitaar naar mijn jongenskeel greep: ‘It’s just a general freak that is boiling in me and I’m terrified what it’s gonna dislodge. I done shit everywhere that there is to eat. Guess it’s time for me to get the fuck out of dodge.’ Snel daarna kocht ik Little en West of Rome, en toen kwam, als een zomerwind die de gordijnen naar buiten doet waaien, zijn vierde: Is the actor happy?
Drunk en Is the actor happy? waren voor Vic Chesnutt wat Let me come over en Big red letter day waren voor Buffalo Tom: de derde en vierde plaat; de rauwe, kale en de warme, gelaagde; the best of. Platen waarop de stilte na het slotnummer nog urenlang nazindert.
En nu pas, nu in de stilte van mijn schrijfkamer About to choke opligt, besef ik dat die vijfde plaat klinkt en misschien wel bedoeld was als afscheidsplaat. De zomer was voorbij, de gordijnen hingen weer binnen. De laatste woorden van het slotnummer luiden: ‘And I ain’t got time for the niceties. Or rather I was never fond of the niceties. I will see you around.’ About to choke verscheen in 1996. Op de tribute-site schrijft Kristin Hersh dat ze vijftien jaar bang is geweest voor die ene telefoon.
Zestien jaar en twaalf platen nadat Vic Chesnutt zong ‘Guess it’s time for me to get the fuck out of dodge’ kwam zijn tijd, omdat hij dat zelf besliste.
Hij is veel meer dan 45 geworden.
De naam Vic Chesnutt kwam ik voor het eerst tegen in Humo, begin jaren ’90. Hij werd geïnterviewd omdat hij, alleen en in een rolstoel, het voorprogramma van Kristin Hersh deed. Soms reed hij tussen twee nummers een rondje over het podium, waarna hij zijn rolstoel terug voor de microfoon parkeerde en zei: ‘Moest even mijn benen strekken.’ Die tour met Kristin Hersh moet ten tijde van haar plaat Hips and makers geweest zijn, dat is die plaat waar Your ghost op staat, dat is dat nummer waarin Michael Stipe ‘You were in my dream, you were driving circles around me’ zingt. Stipe was een stadsgenoot van Chesnutt en de producer van zijn eerste platen, Little en West of Rome. De wereld is klein, maar als hij op je kop valt ben je dood.
Op basis van die ene bladzijde in Humo kocht ik in de lang verdwenen platenwinkel Solbemol in Aalst Chesnutts derde cd, Drunk. Hier was een man die met weinig meer dan een stem en een gitaar naar mijn jongenskeel greep: ‘It’s just a general freak that is boiling in me and I’m terrified what it’s gonna dislodge. I done shit everywhere that there is to eat. Guess it’s time for me to get the fuck out of dodge.’ Snel daarna kocht ik Little en West of Rome, en toen kwam, als een zomerwind die de gordijnen naar buiten doet waaien, zijn vierde: Is the actor happy?
Drunk en Is the actor happy? waren voor Vic Chesnutt wat Let me come over en Big red letter day waren voor Buffalo Tom: de derde en vierde plaat; de rauwe, kale en de warme, gelaagde; the best of. Platen waarop de stilte na het slotnummer nog urenlang nazindert.
En nu pas, nu in de stilte van mijn schrijfkamer About to choke opligt, besef ik dat die vijfde plaat klinkt en misschien wel bedoeld was als afscheidsplaat. De zomer was voorbij, de gordijnen hingen weer binnen. De laatste woorden van het slotnummer luiden: ‘And I ain’t got time for the niceties. Or rather I was never fond of the niceties. I will see you around.’ About to choke verscheen in 1996. Op de tribute-site schrijft Kristin Hersh dat ze vijftien jaar bang is geweest voor die ene telefoon.
Zestien jaar en twaalf platen nadat Vic Chesnutt zong ‘Guess it’s time for me to get the fuck out of dodge’ kwam zijn tijd, omdat hij dat zelf besliste.
Hij is veel meer dan 45 geworden.
Abonneren op:
Posts (Atom)


